Categorie archief: Wijkgeschiedenis

Verhalen over de geschiedenis van Wittevrouwen

Winkels in de oorlog – Gerommel en solidariteit

Aardappelhandelaar Ganseman met paard en wagen, op de achtergrond het pand van de groentewinkel.
Aardappelhandelaar Ganseman met paard en wagen, op de achtergrond het pand van de groentewinkel.

Jaren geleden struikelde je over de winkeltjes in Wittevrouwen. Aan de puien op de straathoeken is dat nog goed te zien. Hoe ging het eigenlijk met al die winkels in de oorlog, toen er zo’n nijpend gebrek aan levensmiddelen was?

Lees verder Winkels in de oorlog – Gerommel en solidariteit

Zij waren kind in Wittevrouwen tijdens WOII

‘Een high tea’ ter ere van de bevrijding voor de kinderen in Wittevrouwen, op het binnenterrein van garage Landeweer, Biltstraat 74, 20 mei 1945
‘Een high tea’ ter ere van de bevrijding voor de kinderen in Wittevrouwen, op het binnenterrein van garage Landeweer, Biltstraat 74, 20 mei 1945

Aan het woord wijkbewoners die in de oorlog in de lagere schoolleeftijd waren. Herinneringen aan gebeurtenissen die leeftijdsgenoten in andere steden wellicht ook hebben. Maar wel gebeurd in de straten en tussen de huizen van Wittevrouwen.

Door Hanneke Prins en Michel Simons

Zilveren vliegtuigromp
Bep Botermans uit de Takstraat en Wim Koot uit de Griftstraat waren één en zes toen de oorlog begon. In hun herinneringen spelen vliegtuigen een belangrijke rol. “Ik zie het zo weer voor me, een strakblauwe lucht met daarin sterretjes door het zonlicht dat op de zilveren vliegtuigrompen scheen,” zegt Wim Koot. Het beeld moet grote indruk hebben gemaakt. Hetzelfde geldt voor Bep. Zij herinnert zich de vliegtuigen die over vlogen en dat alle kinderen dan naar binnen moesten. En hoe bang ze dan was. Dat er een keer een Engelse parachutist in een boom belandde in de Takstraat. En dat hij door de bewoners van nummer 8 in huis werd genomen.

En dan natuurlijk het vliegtuig dat in 1943 neerstortte op de wijk. Op alle kinderen moet dat een onuitwisbare indruk hebben gemaakt. Geertje Brand-Dijkgraaf uit de Graanstraat was negen toen de oorlog uitbrak. “Op een nacht werd ik wakker en was er niemand in huis. Ik zag allemaal mensen lopen op straat en ging er achteraan. Naar de Bollenhofsestraat, waar de piloot van het neergestorte vliegtuig in bed was geland alsof hij daar lag te slapen.”

Graantje meepikken
Veel herinneringen hebben ze aan de voedselschaarste. Hoe Beps moeder regelmatig te voet naar Drenthe ging om eten te halen. “Bij ons was er niks meer. Onderweg sliep ze dan bij boeren. Bij thuiskomst stond de hele straat haar op te wachten. Die wilden ook een graantje meepikken natuurlijk.” Geertje Brand-Dijkgraaf mocht mee op hongertocht. “Ik ging met mijn zus van achttien naar de Achterhoek om anderhalve mud aardappels op te halen voor de buren, op een karretje. Onderweg sliepen we bij kosters van de kerk. Om te schuilen bij overvliegende vliegtuigen, kropen we in diepe loopgraven. Ik was vooral bang voor de muizen die daarin zaten. Bij thuiskomst kregen wij een halve mud als haalloon. Dat moest wel meteen afgewogen, want we vertrouwden elkaar niet meer door de honger.”

Wim is de derde generatie winkelier. “Wij hebben altijd te eten gehad. Mijn opa’s waren groenteman en melkboer. Die wisten altijd wel iets te regelen. Er was ook een gaarkeuken op het Vaaltterrein achter de gasfabriek. Daar haalde mijn vader volle gamellen op en die bracht hij dan naar de school in de Poortstraat waar het eten werd uitgedeeld.”

Ook Geertje Brand-Dijkgraaf herinnert zich de gaarkeuken. “Voedsel uit de gaarkeuken werd naar de hoek van de Graanstraat gebracht. Teilen met eten. Dan kreeg iedereen een klein half litermaatje eten en dat was net genoeg. Bij Geertje thuis hadden ze weinig eten, maar wel gas. “Omdat vader bij de gasfabriek werkte. Mensen wilden hun eten bij ons op het gas koken. Dan vroeg vader in ruil daarvoor een aardappel.”

Met of tegen de moffen
Er werd niet alleen geruild, maar ook gerommeld, herinnert Wim zich. Er werden valse voedselbonnen gemaakt. Zijn vader heeft daarvoor nog in de gevangenis gezeten. Hij was ook betrokken bij illegale slacht in de Kapelstraat. Elke week werd er een koe of paard geslacht. “Het afval kieperden ze ’s nachts in het water bij de gevangenis.” Wim ziet zijn vader tijdens een razzia nog de straat oversteken. “Dan liep hij door de kapperszaak aan de overkant, klom daar over de schutting en ging hij bij zijn vader onder de vloer zitten. Die was te oud om naar Duitsland te moeten.” Het was spannend allemaal, maar Wim kan zich geen angst herinneren. Hij is mild over de NSB-families die in de buurt woonden. “Zij moeten dit soort dingen hebben geweten, maar hebben het niet verraden.”

Beps achttien jaar oudere broer Karel zorgde voor doorgangsadressen voor Joden. Een daarvan was het huis van hun moeder. “Op nummer 1 woonde een NSB-gezin. Met hun dochter was ik bevriend. Een broer van haar moeder was zelfs de lijfwacht van Mussert. Er was dus wel het risico dat ik, klein als ik was, mijn mond voorbijpraatte. En ook mijn moeder zelf vormde trouwens een risico. Zij was een echte flapuit.” Broerlief werd verraden en gevangen gezet aan de Maliebaan. “Daar heb ik hem een keer bezocht met mijn moeder.” Hij werd naar Duitsland gebracht, maar heeft het wel overleefd.

Geertje Brand-Dijkgraaf: “Afschuwelijk dat sommige Hollandse meisjes uit de straat met de Duitsers gingen vrijen. Moffenlellen noemden wij die. Zij hadden wél brood, terwijl wij honger leden. Dat vond ik zo gemeen.” Wim Koot: “De moeder van een jongetje uit mijn klas werd al op Dolle Dinsdag (5 september 1944, red.) kaalgeschoren. Het gekke was dat wij ons daar niet druk over maakten. Wij bleven gewoon met hem spelen.”

Eerdere oorlogsverhalen

In de voorgaande jaren zijn verschillende verhalen over de oorlog in de wijk verschenen.
Ze zijn nog allemaal na te lezen via de onderstaande links.

1_oorlog_vliegtuig_kaartje_43.2

Neergestorte bommenwerper

Op 22 juni 1943 trok een neerstortende Engelse Lancasterbommenwerper een spoor van brandende wrakstukken over de wijk. Drie buurtbewoners en vijf bemanningsleden kwamen om.

Oranje Vrijbuiters

Jan Willem Arends organiseerde ooit wandelingen over de oorlog. En gelukkig schreef hij het ook op. Bijvoorbeeld in het verhaal over Leo en Kees Bos uit de Obrechtstraat die lid waren van de ‘Oranje Vrijbuiters’, een Utrechtse verzetsgroep die kluizen met bonkaarten en legitimatiebewijzen kraakte.

Overval op distributiekantoor

Of over de overval op het bonnenkantoor van Wittevrouwen. Grote zakken met vele duizenden voedselbonnen werden daar gestolen door o.a. voormalig politieman Kiers. Daarmee hadden verzet en onderduikers te eten kunnen krijgen. Helaas waren de bonnen al genummerd en verklaarden de Duitsers deze nummers ongeldig.

 

Oproep

Mevrouw Brand-Dijkgraaf zoekt al jaren haar vriendin Gerrie Bouwman die in WOII woonde op Graanstraat 1 of 3. Haar vader was groenteboer. Haar geboortejaar is ca. 1931. Mocht u informatie over haar hebben, zou u dan contact op willen nemen met de redactie van de Wijkkrant?  redactie@wijkkrantwittevrouwen.nl

Wittevrouwen tijdens de oorlog – Moffenmeiden en vrijbuiters

In de deze aflevering van de serie ’Wittevrouwen in de Tweede Wereldoorlog’ vertelt Jan Willem Arends over gebeurtenissen tijdens ‘de grote oorlog in de kleine wijk’. Hij schetst een beeld van het leven in Wittevrouwen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Moffenmeiden en Vrijbuiters

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bestond de familie Bos uit: vader en moeder, vier meisjes en drie jongens. Dat grote gezin leefde in een bovenhuis in de Obrechtstraat. De oudste zoon Leo (geboren 2-2-1914) was het huis al uit. Leo en Cees (geboren 27-11-1919) waren lid van de verzetsgroep ‘Oranje-Vrijbuiters’.

De Jong: “De Oranje-Vrijbuiters moet men zien als een zelfstandig werkende knokploeg die, schijnt het, in Utrecht haar voornaamste basis had.” Van Riessen4 vertelt dat de O-V reeds in de eerste oorlogsjaren begonnen was met spionage, sabotage, ‘Jodenhulp’, studentenacties etc. Hij kenschetst de O-V als een ‘wilde kraakploeg’. Kraken heeft hier niet betrekking op huizen maar op kluizen; een kraakploeg probeerde bonkaarten, voedselbonnen, identiteitsbewijzen etc. te pakken te krijgen. Leden van de O-V waren betrokken bij overvallen op distributiekantoren te Huizen, IJsselmuiden (bij Kampen) en Capelle aan den IJssel; waren Leo en Cees erbij?

Strakkere organisatie
Gaandeweg ontstond de behoefte om het verzet in Nederland strakker te organiseren. De Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO) en de Landelijke KnokPloegen (LKP) werden opgericht. Men begon plaatselijke knokploegen te benaderen met het doel om die aan de LO en LKP te koppelen. Maar lang niet alle knokploegen waren daarvan gediend. Er was bijvoorbeeld een knokploeg in Drenthe die weigerde gestolen bonkaarten af te staan aan mensen buiten de provincie. De O-V daarentegen stond een deel van de ‘distributiebescheiden’ die in Huizen bemachtigd waren aan de LO af. Maar onduidelijk blijft of de Vrijbuiters zich ondergeschikt wilden maken aan de LO en LKP. Wel is duidelijk dat de O-V heel zelfstandig opereerde en reeds was vernietigd voordat de LO en LKP goed van de grond kwamen.

Uiteindelijk zijn bijna alle leden van de O-V door de Duitsers opgepakt. Van Riessen meldt dat de groep na de overval op het distributiekantoor te Huizen, eind juli 1943, uit elkaar werd geslagen ‘door verraad en provocatie van een voormalig lid’. Het wie, hoe en waarom blijft onduidelijk. Op 29-2-1944 werden minimaal achttien6 leden van de O-V gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte bij Scheveningen. Onder hen Leo en Cees. Zij zijn na de oorlog, samen met enkele andere leden van de O-V, herbegraven op de algemene begraafplaats Tolsteeg.

moffenmeiden

‘Moffenmeiden’
Drie zussen Bos hadden omgang met Duitse soldaten. Dat was op zich al een schande. Maar die meiden hadden ook nog eens broers die hun leven waagden in de strijd tegen diezelfde Duitsers. Iemand uit de straat vertelt: “Het was vreselijk om te zien hoe die hoogblonde, vlotte meisjes uitgingen met Duitse officieren, dikwijls na spertijd. Die ouders gingen er diep onder gebukt.”

Heel wat Nederlandse meisjes hadden in de oorlog een Duitse vriend. Het leven was saai, soldaten waren interessant én die Duitsers hadden (luxe) voedsel en brandstof. En zo´n meisje kreeg ook een zekere macht over haar ouders, want die konden er wel iets van zeggen, maar niets aan doen. De meeste moffenmeiden zijn na de oorlog opgepakt en vernederd – ze werden kaalgeschoren. Het verhaal gaat dat dat ook die zussen Bos is overkomen.

De ouders Bos zijn nog lang in de Obrechtstraat blijven wonen. Wat er van hun  kinderen is geworden is onbekend.
J.W. Arends

Wittevrouwen tijdens de oorlog – De overval

In deze aflevering van de serie ’Wittevrouwen tijdens de Tweede Wereldoorlog’ vertelt Jan Willem Arends over gebeurtenissen tijdens ‘de grote oorlog in de kleine wijk’. Hij schetst een beeld van het leven in Wittevrouwen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

voedseluitreiking NS 1

Voedseluitreiking voor het Hoofdkantoor van de NS (foto Utrechts Archief)

De overval op het distributiekantoor

Oorlog betekent voedselgebrek. Er wordt vaak minder geproduceerd en geïmporteerd, er wordt altijd geroofd en vernietigd. Teneinde het beschikbare voedsel eerlijk te kunnen verdelen had de Nederlandse overheid al in 1939 een begin gemaakt met rantsoenering of distributie. Het ging toen nog om een proef met een beperkt aantal producten (waaronder witte bonen), na 15 mei 1940 werd zowat alles gerantsoeneerd. Iedere persoon die bij de burgerlijke stand was ingeschreven kreeg van elk product (aardappelen, wortelen, tabak, benzine etc.) een bepaalde hoeveelheid toegewezen, een volwassene meer dan een kind. Als bewijs gold een bon. Op je stam- of bonkaart werd genoteerd welke bonnen je had gekregen.

Een bon was ongeveer zo groot als een postzegel en maakte net als een postzegel deel uit van een vel. Als je vervolgens bv. 1 kg uien kocht moest je de desbetreffende bon uitknippen en aan de winkelier overhandigen; deze kon op zijn beurt alleen nieuwe uien bestellen als hij voldoende bonnen inleverde. Op deze manier hield de overheid de keten van producenten, verkopers en kopers in haar greep.

Dit rantsoeneringssyteem bood de Duitsers ook nog andere mogelijkheden: het maakte het voor onderduikers vrijwel onmogelijk om aan voedsel te komen. Je moest immers eerst bonnen ophalen bij het distributiekantoor. Verder moest je je daar ook legitimeren (= bewijzen dat je bent wie je zegt dat je bent, met een paspoort, een rijbewijs, of toen: een persoonsbewijs). Een onderduiker wilde het huis natuurlijk juist niet uit, laat staan dat hij of zij zich bij een kantoor “van de Duitsers” wilde legitimeren. Om die onderduiker toch aan bonnen te helpen werden die geroofd of nagemaakt.

De inwoners van Wittevrouwen haalden hun bonnen af bij het distributiekantoor op het Vaaltterrein (nu Griftpark), aan de Stieltjesstraat. Dit kantoor was gevestigd in een houten barak op de plaats waar nu een speeltuin is. Even verderop stond de gaarkeuken (= openbare keuken waar je tegen inlevering van bepaalde bonnen kant en klaar voedsel kon krijgen) oftewel het Ketelhuis (ketel = kookpan), het losstaande gebouw op de hoek van de Stieltjesstraat en de Johannes de Bekastraat. In de nacht van zaterdag 27 augustus 1944 op zondag 28 augustus 1944 werden uit de kluis van het distributiekantoor maar liefst 48.000 bonkaarten en 280.000 rantsoenbonnen weggehaald door leden van het verzet.

Oud-inspecteur van de politie Kiers was met idee voor de overval gekomen. Hij was door de Duitsers ontslagen vanwege gebrek aan loyaliteit met het nieuwe regime. Kiers nam kontakt op met Utrechtse Knokploegleider Cor en Landelijke Organisatieleider Van de Brink. Zij begonnen het distributiekantoor te observeren en merkten dat het distributiekantoor goed werd bewaakt: overdag waren er steeds enkele politieagenten aanwezig en elke avond werd de sleutel van de kluis in een met lak verzegelde enveloppe onder bewaking naar het politiebureau op het Paardenveld gebracht. Zonder de medewerking van de bewakers zou een overval niet kunnen slagen. Kiers benaderde daarom één van hen: hoofdinspecteur van de politie Vermaas. Vermaas was lid van de NSB maar begon steeds meer aan de Duitsers te twijfelen. Hij wilde meedoen op voorwaarde dat de meewerkende politieagenten en hun gezinnen een goed onderduikadres zouden krijgen. Er werd besloten om de overval op een zaterdagavond uit te voeren omdat het kantoor de volgende dag dicht zou zijn en het dus lang zou duren voordat de overval zou worden geconstateerd.

Op 27 augustus 1944 deed Vermaas een goedgelijkende kopie van de sleutel van de kluis (kluissleutels zijn vaak heel bijzonder) in een enveloppe en verzegelde die, hij leverde de enveloppe met inhoud af op het Paardenveld (zijn baas merkte niets), hij fietste terug en opende de kluis met de originele sleutel. Cor en Van de Brink waren inmiddels in een vrachtwagentje gearriveerd. De kaarten en de bonnen werden in jute zakken gedaan en in het vrachtwagentje geladen. Cor en Van de Brink vertrokken met het vrachtwagentje. Vermaas en de twee andere betrokken agenten fietsten of wandelden naar huis, om van daaruit door te reizen naar een onderduikadres*.

Wat een succes! Maar helaas, de actie heeft uiteindelijk niets opgeleverd. Net als bankbiljetten waren de bonnen genummerd. De Duitsers verklaarden eenvoudig de nummers van de gestolen bonnen ongeldig, zodat ze waardeloos waren geworden.

Van de betrokkenen heeft alleen Van de Brink de oorlog niet overleefd. Vermaas werd ondanks zijn aandeel in deze overval na de oorlog veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf omdat hij als politie-agent lid was geweest van de NSB.

(Bron: Vernooij) * niet alle details van de overval zelf zijn bekend.
Jan Willem Arends